Wat wil je later worden?
Hoe weet je wat je doel is in het leven? Dat vraag ik me wel eens af.
Voor veel mensen is dat: een studie volgen en een mooie baan krijgen,
een gezin stichten en de kinderen opvoeden, en als goede burgers afleveren aan de maatschappij, die dan weer hetzelfde doen.
Voor mij was dat niet zo.
Ik had me vroeger ook niet zo’n voorstelling gemaakt van hoe het leven er uit zou komen te zien, wat mijn doel was, en wat ik zou worden.
Toen ze me vroeger op school vroegen: “wat wil je later worden,” zei ik maar:
“schooljuffrouw of winkeljuffrouw.”
Dit zei ik, omdat we dat thuis wel eens speelden en dat vond ik wel leuk.
Ik had geen ambities.
Andere kinderen in de klas wilde stewardess worden. Ik wist niet eens wat dat was.
Nou hoorde ik laatst, dat je je moet herinneren wat je als kind het liefste deed,
waar je plezier in had, en ik die hoek moet je zoeken.
Je hoort vaak dat kinderen nogal ‘gestuurd’ worden door hun ouders,
die het beste voor hen willen, en dat ze daarom niet hun passie kunnen volgen.
Bij ons thuis was dat niet. We werden geaccepteerd voor wie we waren.
We hoefden ook niet bang te zijn om met ons rapport thuis te komen
als er onvoldoendes op stonden. Ons moeder vond het al prachtig als er een zeven tussen stond. Ze wist dat we ons best deden. Maar wat deed ik vroeger dan graag?
Als ik uit school kwam, gingen we meestal buiten spelen.
Er woonden in onze straat zo’n veertig kinderen, dus je kwam altijd wel iemand tegen
om mee te spelen. Dat waren dingen zoals: tikkertje, verstoppertje, spoorzoekertje,
elastiek springen. Dan werd er zo’n witte onderbroek elastiek om twee vuilnisbakken gespannen
en dan was het de kunst om na te doen wat de ander voor kunstjes bedacht.
Britsen, en als we geen krijtje hadden, dan probeerden we het met een stuk van een bloempot, dakpan of steen. Kaatsenballen, tollen, stoeprandje butsen en rolschaatsen.
In de winter als er sneeuw lag maakten we glijbanen. We hebben ook wel eens een slee gehad, dus ieder om de beurt op de slee, of met tweeën tegelijk.
Sneeuwballen gooien en een sneeuwpop maken. We speelden heel veel buiten.
We waren nergens bij, want daar was geen geld voor.
Als het echt geen weer was om buiten te spelen hadden we wel een spelletje om binnen te doen.
Ons moeder deed vaak mee. Zo speelden we pim pam pet.
Dan draai je een kaartje om met een categorie, draai aan het schijfje van zo’n plastic ding,
en welke letter je dan ziet, daar moet het antwoord mee beginnen.
Later kwamen we er achter dat ons moeder wel eens woorden bedacht die niet bestonden.
Ik denk dat ze niet ‘dom’ wilde lijken.
Ook zaten we wel eens te kaarten: pesten, jokeren of koningen. Ganzenbord en mens erger je niet. Ken je het nog? Je ergert je rot aan dat spel.
Maar als ik nou terug kijk wat ik vroeger graag deed, waar mijn passie lag? ik zou het niet weten. Laatst vroeg ik het aan mijn zus. “Wat weet jij er nog van?”
Ja, een beetje ongein trappen.
Dan bond ik mijn rechter been aan de linkerbeen van mijn zus met een das,
en dan liepen we tegelijk. Er lag altijd wel een hondendrol op de stoep,
en dan stampte ik er nét langs af, zo dat zij er in trapte.
Nou ik dit schrijf moet ik er nog om lachen. Ik zie het zo weer voor me.
Later toen mijn moeder oud was liepen we altijd gearmd, en als er een plas regen op de stoep lag liep ik er weer nét langs af. Ik kon het niet laten. Wat een trut, hè.
Ook hebben we ons moeder eens opgesloten in de voliëre.
Ze was er in en wij deden het haakje op het deurtje, gingen door de poort en riepen:
"Mam, we gaan weg." Mijn zus had de sleutel van de voordeur meegenomen en we liepen voor om en gingen naar binnen, naar boven, en keken door het raam, hoe ze zou reageren.
Ze wilde uit de kooi en duwde tegen het deurtje, maar dat ging dus niet open.
Toen riep ze de buurvrouw: “Joke, ze hebben me opgesloten.”
Wij zaten boven achter het raam te lachen. Ja, in zulke dingen had ik wel lol.
Mensen een beetje voor de gek houden.
Maar wat ik nou wil bereiken in het leven?
Ik zou het niet weten. Ik ben gewoon mezelf.
Misschien is dát wel de bedoeling.
#